Les 1 Oefenen met aa - ie - oe - oo

Aandachtspunten

a. Wat is het doel van spraakafzien
b. Waarom is spraakafzien zo moeilijk
c. Let op het houden van oogcontact.
d. Articuleer duidelijk maar niet overdreven.
e. Afhankelijk van de mate van slechthorendheid wordt er zonder stemgeluid geoefend.

Oefening:

Automatische reeksen bij elkaar aflezen zoals:
de maanden van het jaar
de dagen van de week
getallen van 1 – 30

Informatie:

De spraak is uit verschillende klanken opgebouwd: klinkers en medeklinkers
Deze klanken worden op verschillende wijze gearticuleerd. Dit verschil in uitspraak maakt de spraak ten dele zichtbaar.

Klinkers : de lucht stroomt ongehinderd naar buiten.
Medeklinkers : er is ergens een afsluiting of vernauwing waardoor de lucht niet ongehinderd naar buiten kan.

De klinkers kunnen worden onderverdeeld in:
- lange klinkers: b.v. aa in maan; oo in boos
- korte klinkers: b.v. a in man; o in bos
- tweeklanken: b.v. oei in foei; ou in touw

In deze les behandelen we de lange klinkers.

De lange klinkers zijn: aa – oe - oo – ie – ee – uu - eu

Kenmerken van de lange klinkers:

Wat gebeurt er met de kaak?

aa: de onderkaak daalt sterk
oe: de onderkaak daalt bijna niet
oo: de onderkaak daalt minder dan bij de aa
ie: de onderkaak daalt bijna niet
ee: de kaak daalt iets meer dan bij de ie
uu: een lichte daling van de onderkaak
eu: de onderkaak daalt iets meer dan bij de uu

Wat gebeurt er met de mondhoeken?

aa: de mondhoeken blijven op hun plaats
oe: de mondhoeken gaan iets dichter naar elkaar
oo: lijkt op oe
ie: de mondhoeken gaan iets uit elkaar
ee: de stand van de mondhoeken is nagenoeg gelijk aan de ie
uu: de lippen vormen een cirkeltje
eu: de lippen vormen een grotere cirkel dan bij de u

Oefening klinkers herkennen in woorden met: aa; ie; oe; oo

Kijk in de spiegel en voel de verschillende mondstanden van de klanken:paa – pie – poe – poo

Nummer de woorden in onderstaande oefening in de volgorde waarin ze gezegd worden door iemand uit je omgeving of uit je oefengroep b.v. vaat (2) vier (4) voel (3) voor (1)

a. vaas vies voer voos
b. waar wiek woef woon
c. laan lien loef loof
d. gaas gier goes goor
e. staar stier stoer stoor
f. kaal kiel koel kool
g. raam riem roem room
h. daan dien doen doos
i. maat mies moet moot
j. kaap kiep koen koop

Bedenk en schrijf op:

10 woorden met een aa
10 woorden met een ie
10 woorden met een oe
10 woorden met een oo

Zeg deze woorden voor een spiegel en kijk goed naar je mond.
Probeer ook te voelen hoe je de klanken vormt en uitspreekt.
Oefen het afzien van de woorden met iemand uit je omgeving.

Tip: zorg bij het afzien altijd voor een goede verlichting!

Tot slot: oefen met elkaar een aantal plaatsnamen uit je eigen regio.