Utermöhlen-prismabril verdient eerlijke kans

“Het is een heel interessante achtbaan geweest”, zegt oud-huisarts Eric Vente uit Alphen aan den Rijn. Hij is de laatste nog actieve Nederlandse arts die is gespecialiseerd in de Utermöhlen-therapie voor mensen met de duizeligheidsziekte van Ménière. En dat terwijl volgens cijfers van Stichting Hoormij/NVVS in veertig jaar meer dan tienduizend duizend Nederlanders baat hebben bij de speciale bril. Ook Jelte Bos, hoogleraar bewegingswetenschappen aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, meent dat de bril een eerlijke kans verdient. Als voorzitter en secretaris van de Utermöhlen Stichting zetten beiden zich in voor meer onderzoek, zodat de werking van de bril ook wetenschappelijk kan worden aangetoond.

Tekst: Isabel Timmers


Ménière wordt in Nederland nog standaard behandeld met medicatie en in het uiterste geval met een operatie. Eric Vente heeft in 33 praktijkjaren duizenden Ménière-patiënten behandeld en ziet vaak een aanzienlijke verbetering van de kwaliteit van leven bij toepassing van de Utermöhlen-prismabril. Die is in de literatuur omgedoopt tot WABIPS (Weak Asymmetric Base-In Prisms).

Twee kapiteins op een schip

Eric VenteHoe kan een bril werken bij de ziekte van Ménière? “Bij de ziekte van Ménière is de subtiele samenwerking van de ogen en het evenwichtsorgaan verstoord. Ze gedragen zich als het ware als twee kapiteins op één schip. Wat de prismabril kan doen, is dat conflict opheffen”, legt Vente uit. Patiënten met een duizeligheidsprobleem hebben vaak moeite met focussen en scherp blijven zien. Als eerste is daarom een zeer nauwkeurige oogmeting (refractie) van groot belang. Aan de glazen die deze meting oplevert, worden vervolgens prisma’s toegevoegd aan de hand van een aantal testen. “De speciaal geslepen glazen van een prismabril verleggen het blikveld. Dit heft de verstoorde communicatie tussen evenwichtsorgaan en ogen op, waardoor de duizeligheid vermindert of verdwijnt.”

Na paar dagen resultaat

Nu zijn er meer prismabrillen. Wat is het verschil tussen de Utermöhlen-prismabril en andere door een oogarts voorgeschreven prismabrillen? Vente: “Heel simpel gezegd, schrijft de oogarts prisma’s voor bij patiënten die scheel kijken. Dit is een mechanisch en statisch voorschrift voor de stand van de ogen. De Utermöhlen-therapie houdt rekening met de invloeden van het evenwichtssysteem op de spieren van de ogen, het oculo-vestibulaire systeem. In het algemeen voelen patiënten al na een paar dagen wennen dat de bril rust brengt. Een enkeling kan hier een paar maanden over doen. Bij 18% heeft de bril niet het gewenste resultaat.” Jelte Bos legt uit: “Ménière komt aanvalsgewijs, daardoor kan het een aantal weken duren voordat je kunt constateren of het voor iemand werkt of niet.”

Hersenen zoeken een oplossing

Jelte BosBos vervolgt: “Het effect van de bril kan ook veranderen. De ziekte van Ménière is een complex probleem, al is de oorzaak redelijk eenduidig te verklaren. De eerste aanval is acuut en indrukwekkend. Daarna probeert je centrale zenuwstelsel eraan te wennen, door omwegen te vinden, andere hersendelen erbij te betrekken en zo een andere strategie te ontwikkelen. Daardoor kun je op een andere manier met de aanval omgaan. Ook kun je bijvoorbeeld in een fase zitten waarin het binnenoor verandert. Het centrale zenuwstelsel moet die afwijking dan weer leren kennen. Dit kan betekenen dat de glazen moeten worden aangepast. Dat is ook het geval wanneer iemand van een eenzijdige Ménière, een tweezijdige Ménière ontwikkelt. Bij anderen lijkt de ziekte na het gaan dragen van de prismabril soms zelfs weg, de aanval is dan zo zwak dat je deze niet meer voelt. Dat kan verklaren waarom sommigen mensen na verloop van tijd van de prisma’s af kunnen. Dat is heel individueel.”

Meer onderzoek nodig

Ondanks de vele steunbetuigingen van het grote aantal patiënten dat baat heeft bij de bril, wordt de inzet van de Utermöhlen-prismabril bij de ziekte van Ménière nog niet voldoende serieus genomen. De reden: het gebrek aan wetenschappelijk evicence-based onderzoek. De Utermöhlen Stichting (zie kader) stimuleert dan ook wetenschappelijk onderzoek, zodat er naast bewijs voor de effectiviteit van de prismabril ook een protocol kan komen voor de behandeling en een opleiding. Maar onderzoek kost geld. Vente en Bos: “De Utermöhlen-therapie is tot nu toe overgedragen op basis van ervaring en persoonlijke contacten. Nu moet het op papier, ook als leerstof voor de volgende generaties. Het is een Nederlandse uitvinding en die moet wel correct worden toegepast. Door dat vast te leggen, kan de aanwezige kennis naar behoren worden overdragen op kno-artsen, neurologen en oogspecialisten. Zij staan nu nog aarzelend of ronduit huiverig tegenover de Utermöhlen-therapie. Bijkomend probleem is dat een oogarts meestal geen duizeligheidsklachten behandelt en een KNO-arts geen brillen voorschrijft. Elk specialisme zit vast in zijn wetenschappelijke eiland.”

Het ‘Evidence-beest’

Dit wordt aangewakkerd door de kritiek van de Bond tegen Kwakzalverij. Die zegt heel simpel: wat niet bewezen is, werkt niet. Prof.dr. Yvo Smulders, hoogleraar Interne Geneeskunde bij het VU medisch centrum pleit voor een realistischer kijk op bewijsvoering in de geneeskunde. Evidence-based is volgens hem namelijk lang niet altijd zo ‘hard’ als wordt gezegd. Hij speekt daarom ook wel over het ‘Evidence-beest’. In een webinar (zie kader) geeft hij daarover een interessante presentatie. Met een kwinkslag: de werking van de parachute is ook nooit wetenschappelijk aangetoond, er is dus meer om aannemelijk te maken dat iets werkt. Toch is de Utermöhlen-prismabril wel gebaat bij meer onderzoek. Bos: “Ook al is een opvallend groot percentage patiënten meer tevreden over de bril dan over standaardmedicatie, je kunt nu niet uitsluiten dat het succes ook op andere zaken berust. Afname van stress bijvoorbeeld. Daarom is meer onderzoek gewenst bij meerdere ziekenhuizen, om toevalligheden te kunnen uitsluiten.” Bos is blij met het legaat voor een literatuurstudie van Stichting Hoormij in 2016. “Met een relatief klein bedrag hebben we aannemelijk kunnen maken hoe het kan zijn dat de bril werkt. Dat doet de zaak goed.”

Subsidieverzoek indienen

Vorig jaar zijn de resultaten gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift, het Journal of Vestibular Research. Het werd meteen wereldwijd het vijfde meest gelezen artikel van dat tijdschrift. Bos werkt nu met Vente aan het indienen van een subsidieverzoek bij ZonMw, de organisatie die gezondheidsonderzoek financiert namens het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek. Vente: “Als je bedenkt hoeveel mensen mogelijk op een relatief goedkope manier hun leven terug kunnen krijgen - of op zijn minst geen verergering ondervinden van hun klachten – dan is het maatschappelijke effect aanzienlijk.” Stichting Hoormij/NVVS en de KNO Vereniging onderstrepen de noodzaak van het onderzoek.

Goede richtlijn nodig

Het principe van de bril is typisch Nederlands. Toch is er in ons land tot nu toe weinig publiciteit aan gegeven, mede vanwege het gebrek aan wetenschappelijk onderzoek. Daardoor ontstaat een soort ‘kip of ei’-verhaal. “Een noodzakelijke voorwaarde voor succes is om de bril alsnog meer in de publiciteit te brengen”, vindt Bos. Van belang is dan wel dat er goede richtlijnen komen. “De juiste diagnose is onontbeerlijk, anders kun je met de bril het probleem verergeren. Er moet dus een terzake kundige naar kijken. Je kunt er niet even voor langs de opticien. Er zijn heel goede opticiens, maar zoals bij elke therapie zijn er ook bij die vooral gericht zijn op winst. Je kunt een slager ook niet het eigen vlees laten keuren. Onafhankelijkheid is een waarborg van kwaliteit. De route zou moeten zijn dat een kno-arts de juiste diagnose stelt en vervolgens de bril door een gecertificeerde optometrist laat voorschrijven. Gespecialiseerde duizeligheidscentra zoals in Apeldoorn lenen zich hier bij uitstek voor.”

Kno-arts G.P. Utermöhlen

De richtlijnen voor de Utermöhlen-prismabril voor de behandeling van patiënten met de ziekte van Ménière werden opgesteld door de Nederlandse oog- en kno-arts G.P. Utermöhlen (1873-1960). Utermöhlen’s echtgenote kreeg de ziekte van Ménière en hij merkte dat de aanvallen door een bepaalde prismabril konden worden tegengehouden. Daarop besloot Utermöhlen onderzoek te doen onder zijn Ménière-patiënten. Zijn eerste publicatie, over 102 patiënten, verscheen in 1941 in het Nederlandse Tijdschrift voor Geneeskunde: Het prisma-effect bij de ziekte van Ménière, 85: 1183-1192.  

Utermöhlen Stichting

Eric Vente, geboren in Amsterdam en opgeleid in Barcelona, kwam in Nederland in contact met B.P. Visser, de arts die de methode rechtstreeks van Utermöhlen leerde. Samen met emeritus kno-arts professor G. De Wit heeft Visser de methode toegepast en ook Vente opgeleid. Vente zat samen met de artsen J.F Kullberg-Nierstrasz, Ch.M. Biewenga-Booij en A. Van Kralingen-Heijboer in de Utermöhlen Werkgroep. In 1997 richtte hij samen met anderen de Utermöhlen Stichting op, de wetenschappelijke denktank waarin ook Jelte Bos actief is. 

Meer weten?


Publicatiedatum: 17 september 2019