Pleidooi voor wetenschappelijk onderzoek naar werking Utermöhlen-prismabril bij Ménière

De duizeligheidsziekte van Ménière wordt meestal behandeld met het advies voor leefstijlverandering en medicatie. Maar zo’n vierduizend Ménière-patiënten (en ook enkele brughoektumor-patiënten die last hebben van duizeligheid) in Nederland zweren bij de Utermöhlen-prismabril, waarvan de werking wetenschappelijk (nog) niet is bewezen. In een artikel dat onlangs is gepubliceerd in de kranten van De Persdienst (DPD) (dat wij met toestemming mogen publiceren) wordt daar dieper op ingegaan.

Guke Wevers (66) uit Losser beschrijft in het artikel haar ervaringen met de ziekte van Ménière en ook het hele medische traject waar ze in terecht kwam.  Wevers had van haar behandelend arts te horen gekregen dat er vrijwel niets aan haar ziektebeeld te doen was. "Ik weet niet of ze er nu nog zo over denken, want ik ga allang niet meer naar de dokter. Ik ben klaar met de medische stand. Gelukkig heb ik mezelf kunnen redden met mijn brilletje en daar ben ik héél zuinig op."

Dat 'brilletje' is de prismabril waarvoor in 1941 de richtlijnen werden opgesteld door de Nederlandse kno- en oogarts G.P. Utermöhlen (1873-1960) voor de behandeling van Ménière-patiënten. De speciaal geslepen prisma's in het brillenglas beïnvloeden de wisselwerking tussen het evenwichtsorgaan, ogen en spieren. Daardoor zouden de aanvallen van duizeligheid verminderen of verdwijnen.

Scepsis
De kwaliteit van leven van de patiënten verbetert enorm, zegt gespecialiseerd huisarts Eric Vente van de Utermöhlen Stichting. Hij heeft in 35 praktijkjaren duizenden Ménière-patiënten behandeld. Eigen onderzoek in samenwerking met TNO onder 384 patiënten wees uit dat 90 procent een vorm van verbetering had ervaren, 60 procent was geheel vrij van aanvallen. Toch is er nog altijd veel scepsis over de bril. Vente: "We weten hoe je de methode moet toepassen, maar een medische verklaring hebben we nog niet. En omdat de werking van de Utermöhlen-bril nooit wetenschappelijk is bewezen, wordt de behandeling niet serieus genomen en in de alternatieve hoek gedrukt."

De drie Nederlandse artsen gespecialiseerd in de Utermöhlen-methode zijn op leeftijd en er is geen jongere generatie opgestaan die het aandurft een eigen praktijk op te zetten voor de Utermöhlen-therapie. Vente: "De opvolging is een groot probleem, daarom is het zo belangrijk dat het wetenschappelijk onderzoek op gang komt. We hebben bewijs nodig, zodat we een protocol kunnen opstellen voor de behandeling en onze kennis kunnen overdragen op kno-artsen en oogspecialisten."

Met Jelte Bos, hoogleraar bewegingswetenschappen aan de VU, probeert hij subsidie te krijgen voor de wetenschappelijke onderbouwing van de methode. Maar dat is lastig in tijden van bezuinigingen. Bovendien zit in dit geval het onderzoekgebied op  de grens tussen oogheelkunde en kno, wat het lastig maakt omdat de wetenschap in hokjes is ingedeeld.

Lees hier het complete artikel dat eerder werd gepubliceerd in de kranten van De Persdienst.

De NVVS-Commissie Ménière vindt het ook erg belangrijk dat er goed wetenschappelijk onderzoek komt, dat aantoont dat en hoe de Utermöhlen-prismabril werkt. Meer informatie over de ziekte van Ménière en behandelmogelijkheden vindt u op www.nvvs.nl/meniere.

Publicatiedatum: 14 november 2013